‘Papa?’ Met nog dikke ogen van de slaap, z’n haar in de war en z’n pyjama wat afgezakt komt Daniël de trap aflopen. Op de onderste tree zakt hij door z’n knieën en gaat zitten.
Ik ga naast ‘m zitten en sla m’n armen om hem heen. ‘Papa is er niet, dat weet je toch wel? Papa is in de airplane.’
‘Ja, hoog in de lucht. Papa thuis komen, papa bij Daniël.’ Een beetje verdrietig kijkt Daan voor zich uit. Ik knuffel ‘m.
‘We gaan papa zo meteen bellen, oké?’
‘Op de iPhone?’ Ik knik, gelukkig heeft het hotel waar Harro verblijft wireless en kunnen de kinderen via Facetime met hun vader praten, tekeningen laten zien en gekke bekken trekken.
Daan kan er niet aan wennen dat Harro af en toe op zakenreis is. Het liefst heeft hij ons allemaal de hele dag om zich heen. We merken het ook in z’n gedrag: hij wil minder, zegt meer ‘nee’, is sneller boos, laat z’n hoofd hangen. Tot overmaat van ramp moet ik hem ook nog slecht nieuws vertellen.
‘Weet je Daan’, begin ik en trek hem op schoot. ‘Morgenochtend gaat mama ook in het vliegtuig. Je blijft dan samen met Julian en Simeon bij Kim.’
Hij kijkt me zo verward aan, dat ik opnieuw begin. ‘...en als het dan zondag is, komen papa en ik samen terug met het vliegtuig, oké?
Hij trekt een serieus gezicht en knikt voorzichtig. ‘Oké’, fluistert hij.
Morgenochtend heel vroeg vlieg ik naar New Orleans om daar samen met Harro Mardi Grass te vieren en de stad te bewonderen, waar ik nog nooit ben geweest. Het is een uitstapje waar we al heel lang naar uitkijken, zo vaak gebeurt het niet dat we samen weg gaan. Maar als ik in de betraande ogen van Daan kijk, heb ik bijna de neiging om het af te blazen.