‘Kom op Daan, je kunt dit best wel. Welk blokje is langer, de oranje of de blauwe?’
‘Nee!’ maait Daan de blokjes over tafel.
Met groeiend ongeduld pak ik de blokjes weer en leg ze naast elkaar. ‘Welke is het grootst?’
Daniël kijkt me niet begrijpend aan: ‘geel?’
Ik doe een laatste poging en schrijf mijn vraag op het bord. Langzaam, me zelf tot geduld dwingend, lees ik het voor. ‘En?’
‘Daan huis bouwen, net als Simeon’, reageert Daniël en veegt de oranje en blauwe blokjes aan de kant.
Het is zondagochtend, Julian heeft een zaalvoetbalwedstrijd en ik ben alleen thuis met Simeon en Daniël. De uitgelezen kans om educatief verantwoorde spelletjes te doen. We hebben al mini Loco gedaan. Na twee rondes ‘wat hoort bij elkaar?’ waar Simeon uiteraard beter in is dan Daniël, stel ik voor om een ronde ‘taal’ te doen. Ik lees onder nummer één ‘op de tak zit een….’ en wijs op de het plaatje van de vogel. ‘Jouw beurt Daan, waar staat het woordje mus?’
‘Nee!’ roept Daniël echter heel hard. ‘Niet lezen!’
‘Oké, oké’, ik ga overstag en we doen nog een bladzijde ‘wat hoort bij elkaar’. Daniël doet het best goed, maar als we bij blokje nummer elf zijn, is zijn concentratie weg.
We ruimen op en ik stel voor om sommen te maken.
Ik pak het dikke boek ‘tellen tot 30’ en laat het aan Daniël zien. Hij houdt heel erg van invuloefeningen en vindt het bijna altijd leuk om cijfers te schrijven en rondjes te tellen. Maar niet vandaag. ‘Nee’, roept hij weer zeer stellig, ‘niet tellen.’
Ik gooi het over een andere boeg en haal blokjes tevoorschijn. Blokjes die hij bijna nooit ziet. Ik gok erop dat zijn nieuwsgierigheid het wint en ik er al spelend tellen en sommen in kan fietsen.
Maar uiteraard lukt het niet. Mijn geduld raakt op en ik zit mezelf in de weg. Mijn ambitieuze ik, die vindt dat het uitgelezen moment niet voorbij mag gaan en dat Daan dus educatief verantwoord moet oefenen, gaat de strijd aan met Daniël. Ik verlies en hevig gefrustreerd reageer ik me af op Harro zodra hij thuis komt van het voetballen.
‘Laten we vooral vanmiddag naar buiten gaan’, stelt Harro voor. Ik knik en zoek na de lunch mutsen en wanten bij elkaar. We rijden naar de watervallen bij ons in de buurt en met de zon in ons gezicht en onze oren bedekt tegen de koude wind, vergapen we ons aan het wilde water.
‘Wandelen bos?’ vraagt Daniël die ons met rode wangen stralend aankijkt.
We laten de rivier voor wat ie is en lopen het aangrenzende bos in. Daniël rent vooruit en blijft meer dan twee uur lopen, zonder ook maar één keer te klagen.
Het was vandaag geen zit-stil-en-leer-dag, maar een beweeg-en-ren-dag. Ik had het alleen veel te laat in de gaten.