Ik herinner me de Elfstedentocht van 1986. Samen met een vriendin tuften we in mijn Renaultje 4 naar Friesland. We waren gewaarschuwd dat Friesland dicht gestroomd en onbereikbaar was, maar wij reden zo naar een van de vaarten, parkeerden, gingen in de zon langs de kant zitten en zwaaiden naar de schaatsers die relaxed langskwamen. Geen bevroren neus of teen te zien. We dronken chocomelk, kregen koude billen en reden terug naar Groningen, waar we voor de tv kropen.
In 1997 was er ook een Elfstedentocht. Ik weet daar niets van, niet wie hem won, niet wat voor weer het was en al helemaal niet wat ik die dag deed.
Ik schrok een beetje van dat lege gat in mijn herinnering. Ik googelde snel op 1997 en er gebeurde behoorlijk wat in dat jaar. Oorlog in Rwanda, de warmste zomerdagen ooit in augustus en het overlijden van Prinses Diana. Gek genoeg zuchtte ik even van opluchting toen ik dat laatste las, want dat weet ik maar al te goed. Mijn hersenfuncties waren in 1997 dus niet helemaal uitgevallen.
Als ik er echt bij stilsta, dan weet ik natuurlijk best wat er in 1997 met me aan de hand was, en waarom het nieuws van de wereld volledig aan me voorbij gegaan is.
In de loop van 1997 werd duidelijk dat er met Ebel iets heel ergs gebeurd was.
In 1996 was ik de jonge moeder van een peutermeisje en een babyzoon die mijn leven vulden met plezier. Het ging ontzettend goed met mijn kinderen en ik was zo gelukkig. Nog steeds kan ik de herinnering terughalen aan Frances die op kleine bruine beentjes door de kamer rende en Ebel die heel hard achter haar aan kroop.
‘Pak me dan,’ riep Frances
En Ebel kroop nog harder totdat Frances zich liet pakken en ze in een klein balletje van plezier over de grond rolden.
In 1997 riep Frances nog steeds, maar Ebel hoorde zijn naam niet meer, kroop niet meer en lachte niet meer. In dat jaar ben ik bijna verstikt geweest van angst en heb ik van dag tot dag alleen maar overleefd.
‘Pak me dan,’ riep ik tegen Frances.
En Frances rende achter me aan door de kamer en ik liet me pakken en knuffelde haar. We lachten niet maar keken allebei naar Ebel die in een hoekje van die kamer lag te huilen met een vinger in zijn knalrode oor.
In 1997 kon er een Elfstedentocht op 80 kilometer van mijn huis voorbijgaan, zonder dat ik het merkte. De kathedraal in Turijn kon afbranden zonder dat ik daar iets van door had.
Het enige wat mijn bange hart toen kon bereiken was de dood van Diana, niet die gebeurtenis zelf, maar het beeld van haar zoontjes die achter haar kist aan door Londen liepen, twee eenzame en bange jongens die zo dapper deden wat hun positie van ze vroeg.
Die angst van hoe het verder moest, de eenzaamheid die ik voelde omdat de wereld doorleefde en wij achterbleven, die herkende ik in 1997.
Zou er nu een Elfstedentocht gekomen zijn, dan waren wij er naar toe gereden, in het bomvolle en onbereikbare Friesland zou Bob zo een plekje gevonden hebben. We zouden met zijn vijven uitgestapt zijn, ergens langs zo’n vaart, en chocomelk gedronken hebben.
Onze drie kinderen zouden aan de kant zijn gaan zitten, Frances links, Robbert rechts en Ebel veilig in het midden en 1997 is heel ver weg.
Jeetje Willemien, wat knap geschreven. Je raakt me met je stukjes steeds weer recht in mijn hart..