editie 26

ik wil geen bitch zijn

28 juni 2017

Pien ergert zich aan alles en iedereen sinds ze een zieke zoon heeft. En soms gaat ze keihard de discussie aan. ‘Mijn reactie is niet oké, maar het is een vorm van zelfbescherming.’

INTERVIEW Annemarie van Dijk

Pien: ‘Vroeger was ik veel liever. Ik wilde de wereld beter maken, er voor iedereen zijn. Die zachte kant van mezelf ken ik niet meer. Ik ben harder geworden – voor mezelf maar ook voor anderen. Het is erin geslopen door de ziekte van mijn jongste zoon, Jip. Hij heeft een progressieve stofwisselingsziekte en wordt misschien niet ouder dan tien jaar. Dat heeft iets in me veranderd. Ik vind dat andere mensen vaak ontzettend lopen te zeuren. Laatst in de apotheek nog, toen ik mijn krat medicijnen voor Jip kwam halen. Naast me aan de balie stond een vader die € 2,30 moest bijbetalen voor een medicijn voor zijn kind. Hij vond dat belachelijk en sputterde enorm tegen, terwijl hij de autosleutel van een dure auto op de balie legde. Ineens ging ik helemaal los. “Jij moet je kapot schamen”, zei ik tegen hem. “Je bent het niet waard om een vader te zijn. Ik betaal elke maand veel geld bij voor de medicatie van mijn kind van wie ik niet weet of hij de tien jaar haalt.” Als een hysterische duivel heb ik staan tieren. De man kon, totaal verbouwereerd, geen woord uitbrengen. Ik kwakte vijf euro voor hem neer op de balie en vertrok. In de auto zat ik nog tien minuten uit te razen, daarna moest ik hard huilen en schaamde me diep. Het was een ontlading na maandenlang frustraties te hebben opgekropt. Die man was de druppel die de emmer deed overlopen.’

Poppenkast

‘Zelf had ik eerst niet door dat ik zo meedogenloos kan reageren. Mijn oudste zoon wees me erop: “Mama, je bent zo lief, maar je kunt ook zo onaardig zijn.” Dat was toen ik in de supermarkt tegen iemand uitviel die boos was dat een voedingsmiddel niet op voorraad was. ‘Als dat je ergste zorg is, heb je een heerlijk leven’, beet ik hem toe. Ook in mijn familie erger ik me soms dood. Mijn driejarige neefje moest vanwege een ontsteking aan zijn amandelen twee dagen aan de sondevoeding. De hele familie was in rep en roer. Ik zei het niet hardop, maar wat een poppenkast zeg, doe normaal! Dat kind mag na twee nachtjes ziekenhuis alweer mee naar huis. Jip leeft al zes jaar op sondevoeding en heeft ik-weet-niethoe- vaak in het ziekenhuis gelegen. Aan de andere kant weet ik: mijn reactie is niet oké, anderen hebben het recht om bezorgd te zijn. Ik kan niet verwachten dat mensen hun mond houden over hun sores omdat het bij ons altijd erger is. Mijn vriend corrigeert me ook vaak. Hij spreekt me dan toe: “Pien, als íemand weet hoe erg het is om een ziek kind te hebben, ben jij het. Verman je en probeer anderen te steunen.” Het is fijn om er met hem over te praten. Hij snapt me goed, maar corrigeert me ook. Ik bof met hem. De vader van mijn zoons heeft de benen genomen nadat Jip werd geboren. Mijn vriend is al vijf jaar een echte vader voor hen.’

Elke dag kiezen
‘Zelfs naar mijn gezonde kinderen toe kan ik hard zijn. Als zij iets hebben, zeg ik al snel: “Stel je niet aan”. Mijn vriend grijpt dan in. Later maak ik het goed met de jongens: “Sorry, oorpijn ís ook vreselijk. Doordat Jip altijd zo ziek is, heb ik daar soms geen oog meer voor.” Ze snappen het gelukkig wel, nemen me niks kwalijk. Ik probeer een leuke moeder voor hen te zijn, maar het voelt alsof ik elke dag een keuze moet maken: welk kind ga ik vandaag verwaarlozen? Ga ik iets leuks doen met de oudste twee, dan moet ik Jip thuislaten bij de oppas. Als ik hem wel meeneem, verkrampt hij al na een uur door te veel prikkels. Vaak blijven we dus maar thuis.
Naast mijn gezin kom ik bijna nergens aan toe. Ik laat mensen tegenwoordig ook makkelijk vallen. Als ik voel dat ik te weinig deel met vriendinnen, kap ik met de vriendschap. Zonde van mijn energie.’

Geen blad voor de mond
‘Anderen worden geloof ik weleens nerveus van mijn reacties. In discussies op Facebook bijvoorbeeld kan ik snoeihard reageren. Laatst ging het over euthanasie bij kinderen. Als mensen daar fel op tegen zijn, schrijf ik: ‘Je wilt toch niet dat je kind als een kasplantje erbij ligt?’ Mensen die moeite hebben met uitgebreid prenataal onderzoek snap ik ook niet. ‘Schandalig die testen’ lees ik dan, ‘ze willen dat er alleen maar perfecte kinderen ter wereld komen.’ Wie dat opschrijft, heeft géén of gezonde kinderen, en weet dus niet waarover hij het heeft. ‘Het zijn niet allemaal schattige mongooltjes die lief lachen’, reageer ik vervolgens. Ik benoem het zoals het is. Wat me ook zo boos maakt: als anderen vinden dat iedereen rekening moet houden met hun zieke kind. Voor dat gezeur ben ik echt allergisch. Ik verwacht niet dat anderen zich aan Jip aanpassen. Ik zie hem als míjn probleem, het voelt toch alsof ik een belasting in de maatschappij heb neergezet. Daar hoeft een ander geen last van te hebben. We zijn al zo bevoorrecht in Nederland: alles wordt voor ons geregeld. Wij krijgen een pgb om zorg in te kopen, Jips sondevoeding wordt vergoed en zijn rolstoel voor een groot deel ook. En dan die mekkerende ouders over de eigen bijdrage voor een rolstoel. Een ander moet zelf een fiets kopen voor zijn kind, dat kost toch ook geld?’

Niet hoeven voelen
‘Een paar keer per jaar ga ik naar een psycholoog. Ik zie haar als een betaalde vriendin bij wie ik ongegeneerd kan spuien zonder mensen te kwetsen. Ze helpt me om door een andere bril naar dingen te kijken. “Je hardheid is een verdedigingsmechanisme,” zei ze een keer, “anders zou al het leed van anderen ook nog bij je binnenkomen. Dat kun je er niet bij hebben.” Zelf denk ik ook dat ik zo hardvochtig reageer om niet te hoeven voelen. Het is een vorm van zelfbescherming. Ik duw mijn ware gevoelens ermee weg, alsof ze er niet zijn. Als alles altijd maar bij je binnenkomt, heb je altijd pijn, blíjf je huilen. Daar heb ik zelf niets aan, en mijn kinderen al helemaal niet. Naderhand heb ik vaak spijt van mijn heftige reacties. Zo’n bitch wil ik helemaal niet zijn. Dan denk ik: verdorie, waarom reageer ik zo? Momenteel ben ik er ook echt mee bezig om een betere balans te vinden in mijn gedrag. Mijn vriend en mijn beste vriendin helpen me daarbij door altijd eerlijk te zijn. Het is natuurlijk niet leuk om te horen dat je iets verkeerd doet, maar wel goed. Door regelmatig met hen over mijn echte emoties te praten – mijn echte angsten en verdriet – probeer ik mijn bitchy buien zoveel mogelijk te beperken. Ik zou willen dat ik weer de Pien was van vóór ik Jip had, die was liever, meer met anderen begaan. Maar die Pien had ook meer tijd voor zichzelf, was zorgelozer, minder verbeten en had meer ruimte om zich te ontwikkelen. Ik heb veel voor Jip moeten opgeven. Dat zou ik zó weer doen, maar het is wel zwaar.’

Pien (33) heeft een zoon van 10 en zoon Jip (7, ernstige, progressieve stofwisselingsziekte). Ze woont samen met haar vriend en zijn zoon (17), die voor haar als een eigen kind voelt. Pien en Jip heten in het echt anders.

Dit verhaal verscheen eerder in Lotje&co editie 26.

Geef een reactie

site De Heren Van